OP ZOEK NAAR GELUK IN DE DRUKTE

Je hebt twee soorten mensen; de mensen die vragen wat voor werk je doet als je ze voor het eerst ontmoet en de mensen die vragen waar je gelukkig van wordt in het leven. Geluk. Van die laatste categorie is Yousef er één van. Ik noem hem Yousef omdat ik me niet kan herinneren dat hij zijn naam zei toen hij zich voorstelde. Het was tijdens een food festival in Amsterdam. Je kent het wel, zo’n drukbevolkte festiviteit in de stad waar iedereen geweest moet zijn om vervolgens te kunnen vertellen dat ze er zijn geweest, voornamelijk op social media. En dan plaatsen ze er gelukkige foto’s bij met glazen wijn in hun hand en veel te prijzige hapjes zoals een mini hamburger voor tien euro.

Het was een hectische dag, Hemelvaart. Ondanks de vele uren die ik had om te ‘niksen’, want zo voelde het de laatste tijd steeds vaker, was ik toch erg gespannen. Het leek mijn vriend een goed idee om te gaan borrelen op het food festival zodat ik alle stress even van mij af kon zetten.

Bezweet kom ik aan bij het Weteringcircuit waar we de tram pakken naar Westerpark. Wanneer we vlak bij het park zijn gebeurt er iets in mijn hoofd waardoor mijn maag van slag raakt. Ik kan me niet herinneren dat ik aan iets dacht dat me angstig maakte, opeens was ik het gewoon zoals dat meestal gaat met mijn paniekaanvallen. Terwijl ik de haltes aftel kijk ik als een bang hert naar buiten. Ik wil naar buiten. Door het optrekken van de tram raakt mijn maag nog meer van slag. Het einde is in zicht en ik duw mezelf tussen de mensen door naar de uitgang. “Ik voel me niet goed hoor,” zeg ik angstig tegen mijn vriend, die het inmiddels gewend is dat ik mij regelmatig ‘niet zo goed’ voel. Ik krijg weinig respons behalve dat een lekker wijntje me vast goed gaat doen. We besluiten, voor we het terrein op gaan, bij één van de restaurants te zitten zodat ik nog even tot rust kan komen. Maar er komt geen rust, mijn maag blijft van slag en ik kan alleen nog maar huilen van angst omdat ik me zometeen een weg moet banen tussen de krioelende mensen die over het terrein lopen. Ik wil niet, maar ik wil ook niet alleen terug naar huis dus we gaan de drukte in terwijl ik mijn tranen probeer te bedwingen en met een geforceerde lach tegen mijn vriend zeg: “Het gaat wel weer.” Het gaat helemaal niet. Ik voel me klote en ik wil hier weg.

Terwijl we ons moeizaam door de massa verplaatsen, want het is veel te druk en bij elke stap sta je op iemand zijn teen, zie ik mensen lachen, drinken, eten en plezier maken. Drie jaar geleden was ik hier ook. Toen was het rustig en zat ik samen met vrienden op het gras met wijn uit de supermarkt en stokbroden van de broodafdeling en smeerseltjes uit de koeling. We waren van die gierige studenten die geen cent te makken hadden en mee wilde doen met de massa, maar dan zonder heel veel geld uit te geven.

We komen aan bij de biertent. Die was er drie jaar geleden toch niet? Er staan veel biertafels waar mensen nog net niet op elkaar zitten om een plekje op de bank te hebben. De beste vriend van mijn vriend stelt me voor aan zijn nieuwe vriendin en haar vriendinnen. Aardige mensen. Ik kijk om me heen op zoek naar een plekje waar ik nog even kan bijkomen van de drukke oversteek die we net hebben moeten maken. In de verte zie ik groen gras waar de zon op schijnt en ik bedenk me dat dit de plek is waar ik de rest van de avond ga doorbrengen. “Ik ga daar zitten, oke?” zeg ik terwijl ik wijs naar de heuvel. Mijn vriend, die ziet dat ik nog steeds in paniek ben, vraagt me in het zicht te blijven zitten en zegt dat ik moet bellen als er iets is. “Oke,” antwoord ik en loop snel richting het gras.

Met mijn oordopjes in kijk ik naar de menigte. Het is veel te druk, onnodig druk. Populair gedoe. Inmiddels ben ik iets tot rust gekomen. Ik zucht, strek mijn benen uit en leun op mijn ellebogen. Opeens zie ik vanuit mijn linker ooghoek iemand naar mij zwaaien. Hij probeert contact te leggen. Pff, moet hij nou weer. Iets geïrriteerd doe ik mijn oordopjes uit en kijk hem vragend aan.

“Wat is dit?” vraagt hij in het Engels terwijl hij wijst naar de krioelende menigte. Hij heeft een duidelijk accent waardoor ik al kan raden dat hij ergens uit het Midden-Oosten komt.

“Populair gedoe,” antwoord ik lachend terug.

Hij strekt zijn hand uit en ik vouw die van mij om die van hem. “Aangenaam.”

De jongen, ik schat eind 20, heeft een opgeschoren kapsel en zijn kroezige haar vormt bovenop zijn hoofd een staartje dat iets wegheeft van een palmboom. Gek haar. We praten kort over de zin en de onzin van het food festival en mijn angst om tussen de drukte te lopen.

“Wat maakt jou gelukkig?” vraagt hij me oprecht geïnteresseerd.

Ik glimlach. “Mooie vraag.” Hij glimlacht terug. Ik vertel hem over mijn angsten en de burn-out en paniekaanvallen die ik heb gehad. Ik kan hem niet vertellen wat mij gelukkig maakt in het leven omdat ik dat nog niet weet. Geluk was een onderwerp waar ik als kind nooit echt over nadacht, ik was het gewoon, denk ik. Omdat ik de afgelopen jaren vooral bezig was met presteren en een succesvolle carrière opbouwen, ging ik meer nadenken over hoe het zou zijn aan de overkant, daar waar het gras altijd groener is en waar geen prestatiedrang is. Ik zag andere mensen altijd lachen, net als hier op het festival. Iedereen lijkt zo zorgeloos, tevreden en gelukkig, maar ik, ik ben altijd het tegenovergestelde. Bang en ontevreden, altijd op zoek naar meer en alles moet vooral beter en perfect. Meestal als het gras groener is aan de overkant en de weg er naar toe is makkelijk, dan maak je de oversteek. Ik weet precies wat ik moet doen om bij het groenere gras te komen, maar waarom vind ik dan niet de motivatie om het leven bij de ballen te grijpen en te kiezen voor mezelf?

Yousef vertelt me dat in zijn land, Tunesië, paniekaanvallen en burn-outs niet bestaan. Hij zegt dat ze dankbaar zijn voor wat ze wel hebben en dat God ze daaraan herinnert. Het geloof is voor mij ontastbaar. Enerzijds lijkt het me heerlijk om alles in de handen van een ander te leggen en te geloven dat Hij dan bepaalt wat ermee gebeurt, maar anderzijds ben ik er van overtuigd dat alleen ik controle heb over mijn geluk. Het is tenslotte mijn leven en als ik gelukkig wil zijn, dan is er maar een iemand die dat voor elkaar kan krijgen en dat ben ikzelf.

Het lijkt ook iets van de Westerse wereld te zijn, die ontevredenheid. We willen hier altijd maar meer. We kijken vooral naar wat we niet hebben, in plaats van te kijken naar wat we wel hebben. Die ondankbaarheid zorgt voor een bepaalde onrust waardoor je nooit echt kunt genieten van het leven, ik in ieder geval niet.

In de verte zie ik mijn vriend de heuvel op lopen met een grote beker bier, zijn telefoon in zijn hand en een sigaret in zijn mond. Yousef vertelt ondertussen verder over zijn geloof, de Islam. 

Inmiddels is mijn vriend gearriveerd en vraagt me direct of alles goed gaat. Ik knik en stel hem voor aan ‘Yousef’. Hij zegt weer zijn naam niet. Shit, wat is zijn naam nou? Yousef vraagt meteen aan mijn vriend of hij dit, hij wijst weer met zijn handen naar de krioelende menigte, leuk vindt. Mijn vriend houdt van gezelligheid en heeft geen problemen met drukte. Ik weet dat hij hier van geniet en hij knikt.

‘You have a very special girlfriend. Do you know that?’ vraagt Yousef aan mijn vriend op een toon waarmee hij lijkt te willen zeggen dat hij dankbaar mag zijn dat ik zijn vriendin ben.

‘Yes. I know.’ antwoord mijn vriend.

Terwijl Yousef verder praat met mijn vriend, maak ik in mijn hoofd een lijstje van alles waar ik dankbaar voor zou moeten zijn en een lijstje van alles wat mijn geluk dwarsboomt. Het lijstje met alles waarvoor ik dankbaar mag zijn is lang, zoals verwacht, het andere lijstje is kort zoals hoort. Waarom voelt geluk dan zo ver weg? Yousef kijkt me aan en glimlacht, alsof hij mijn gedachten leest.

“Het geloof leert je dankbaar te zijn voor wat je wel hebt in het leven, inplaats van zorgen maken om wat je niet hebt. God herinnert je daar elke dag aan.”

“Niet zolang geleden schreef ik nog elke avond op wat mij gelukkig maakte, tot ik daar geen zin meer in had en er mee stopte.” Ik zucht.

Hij kijkt me ernstig aan. “Dat is de Duivel die zegt dat je het niet nodig hebt.”

“Volgens mij is dat mijn ego,” zeg ik lachend en ik laat mijn hoofd rusten in het gras.

In essentie klopt het wat Yousef zegt. Dankbaarheid betekent positief zijn en ik ben het tegenovergestelde. Als het geloof zoveel mensen dankbaar en gelukkig maakt en dit de oplossing is zoals Yousef zegt, dan wil ik ook geloven, ik weet alleen nog niet in wat.

Na het gesprek met Yousef kwam er een keerpunt. Ik was er nog lang niet, maar ik was het wel zat om zo bezig te zijn met al die lichamelijke klachten die ik toch echt zelf veroorzaakte door me altijd zo’n zorgen te maken. Het enorme verlangen om geen stress meer te ervaren en gelukkig te zijn zorgde ervoor dat ik juist meer stress kreeg. Ik zocht hevig naar de speld in de enorme hooiberg met oplossingen. Ik deed er alles om maar niet te hoeven voelen terwijl dat het enige was wat ik moest doen; voelen.

Na het gesprek snapte ik opeens dat door aandacht te schenken aan al die negatieve gedachten, ik geen ruimte meer had om mijn lichaam de kans te geven om te voelen dat het eigenlijk best goed gaat met me en dat ik de emoties die ik voel, positief of negatief, ruimte mag geven om er te zijn in plaats van ze te analyseren. Ik hoefde me niet over te geven aan een God, ik moest me overgeven aan mijn lichaam en vertrouwen durven hebben dat dit lichaam mij draagt en voor mij zorgt. Dat vertrouwen in mezelf, dat was mijn eigen geloof. 

Geluk

Author: Joyce Julia